Woonkern Grafhorst
Woonkern Wilsum
Woonkern Kampereiland
Jan van Arkel.Actueel.Taalkringe.Zoekplaatje.Onderzoek.Transcripties.Oproepen.Woonkernen.Contact.Forum.Links.

© HISTORISCHE VERENIGING VOOR DE IJSSELDELTA -JAN VAN ARKEL / webdesign Remy Steller

Jan van Arkel

Historisch overzicht van Wilsum

Wilsum is gebouwd op rivierduinen met een hoogte van circa 6,00 m +NAP. Overal langs de IJssel zijn lang geleden zulke rivierduinen ontstaan door opgewaaid rivierzand. Hierop ontstonden nederzettingen als Wilsum, Uiterwijk en - in IJsselmuiden- Oosterholt, Dorpsweg en de Kraaijenberg. De eerste mensen in dit gebied gingen hier wonen vanwege de goede vis- en jachtgebieden in de IJsseldelta.

De vroegste schriftelijk datering van de naam Wilsum komt uit 1213. Het oudste gebouw van Wilsum is de kerk uit circa 1050. Het is het oudste zaalkerkje in Overijssel, met kenmerkende Romaanse vensters in het schip en een Gotisch koor uit de 14de eeuw. In de 15de eeuw werden de zijmuren verhoogd en werden er bakstenen kruisgewelven aangebracht. Zes Romaanse vensters werden toen vervangen door spitsboogvensters. In tijden van gevaar en oorlog diende de toren als toevluchtsoord. Gevangenen zaten “onder de toren” in een kleine ruimte zonder ramen of deuren. Ze werden hier van bovenaf in neergelaten, door het zogenaamde angstgat.

Wilsum kreeg stadsrechten van de landsheer (de bisschop van Utrecht), en dat moet nog voor 1321 zijn gebeurd, want in de Wilsumer Willekeuren (= verordeningen) lezen we dat “in ‘t jaar onzes Heeren duizend drie honderd een en twintig op Sinten Matthijs dagen in de vasten de schepenen van Wilsem in vergadering bij elkaar kwamen”. Een ommuurde stad is Wilsum nooit geweest ondanks haar stadsrechten, eigen rechtspraak en heuse galg die ergens in de buurt van Nieuwstad stond.

Er was al ver voor 1685 sprake van een “Wilsumer Veer”, maar dat werd in 1971 opgeheven. De oude aanlegplaats ligt nog steeds bij de IJssel, en het in 1928 vernieuwde veerhuis staat nog steeds op de hoek van de Dorpsweg (17) en de Veerweg.

Wilsum kende naast gemeenschappelijke weidegronden zoals de dijken, waar iedereen gebruik van kon maken, ook het instituut van de Burgerij van Wilsum. Dit eeuwenoude burgerrecht gold voor de mannelijke nazaten van enkele families die in het stadsgebied van Wilsum geboren en woonachtig waren. Ze hadden recht op het zogenaamde Burgerland (een complex van hooi- en weilanden), dat bij loting werd verdeeld. Het beheer van het Burgerland was in handen van het bestuur van de Burgerij. De stad Wilsum had vroeger hierin ook zeggenschap, maar die werd, na een conflict, uitgekocht met een stuk land. De Burgerij van Wilsum bestaat overigens nog steeds.

 

Kolken in Wilsum

In en bij Wilsum bevonden en bevinden zich verschillende kolken. Er zijn twee soorten. De kolken, door dijkdoorbraken ontstaan, en de gegraven gaten.De kolken welke ontstaan zijn door doorbraken bestaan vaak uit twee afzonderlijke kolken namelijk eentje buiten en eentje binnen de dijk.

De meeste zo niet alle dijkdoorbraak en kolken zijn ontstaan bij de stormramp van februari 1825.

 

De noordwesterstorm die op 4 februari van dat jaar begon en enkele dagen aanhield, was vooraf gegaan door een harde wind die al grote massa’s water door de zeegaten, de afsluitdijk was er toen nog niet, het IJsselmeer op had geperst. Net als in 1953 viel dit extreme hoge water samen met springtij. Bij deze watersnood verdronken er in Wilsum 2 mensen er spoelden 11 huizen geheel weg, er werden er 5 onbewoonbaar en 10 zwaar beschadigd. Er verdronken 40 koeien en 4 paarden. Er werden gaten geslagen in de dijken aan de noordzijde van Wilsum.

Bij dijkdoorbraken ontstaan er vaak, zowel aan de buiten als aan de binnenzijde, kolken.

Vanaf de kern van Wilsum stroomafwaarts komen we eerst de, wat we nu noemen, "de Olde kolk" tegen, op de hoek bij de Nieuwstad. Deze kolk had in het verleden ook aan de binnenzijde van de dijk een klein kolkje voor het huis van Nieuwstad 6 in de hoek bij de woning van nu Nieuwstad 21. Deze binnendijkse kolk is later dichtgemaakt met onderhanden afval van groentefabriek de Faam uit IJsselmuiden wat afgedekt werd met zogenaamde slootgrond uit de omgeving.

 

Op de plaats van de buiten kolk heeft waarschijnlijk een boerderij gestaan. Aan de zijde van Uiterwijk bevond zich een ondiep deel met daarin een paal van een bergroede.Ook aan de Wilsumer kant, daar waar er een verhoging in het land aanwezig is, bevonden zich enkele meters uit de kant, enkele palen in de bodem waarschijnlijk waren dit ook palen van een hooiberg. Oudere hengelaars vertelden dat hun snoeren hier vroeger vaak aan vast raakten

Een eindje verder in de hoek van de dijk en de Wilsumersteeg bevond zich een gespoelde kolk. Deze kolk is net voor de tweede wereldoorlog gedeeltelijk dichtgemaakt met boomstronken van gerooide bomen van de Zwolseweg. Later heeft de gemeente IJsselmuiden de kolk verder dichtgemaakt met huisvuil. Aan de buitenzijde is aan de rietbegroeiing nog vaag de buitenkolk te zien. Een aardige anekdote: De huidige bewoner van de woning bij de inmiddels dichtgemaakte kolk, die de woning overnam van zijn ouders, heeft in zijn koopcontract een bepaling staan, overgenomen uit vroegere contracten, die verbied om meer dan twintig eenden te houden in de kolk.

 

Net voorbij de afrit naar de Scherenwelle is er aan de binnenkant van de dijk een kolk aanwezig. Ook deze kolk is ontstaan door dijkdoorbraak. Aan de andere zijde van de dijk, hier tegenover, bevindt zich de buitendijkse deel, dit is echter niet altijd meer als een kolk te erkennen. Bij hoog water in de uiterwaarden drijft de begroeiing waarmee deze kolk is dichtgegroeid omhoog dan is heel goed te zien waar de kolk zich bevind.

Net voor de bebouwing van Uiterwijk en net voor het wegje naar het boerderijtje in het land Uiterwijkseweg 16 hebben zich ook twee doorbraken voor gedaan. Een van deze kolkjes net naast het wegje in de richting Wilsum is nog lang zichtbaar geweest.

 

De Putten werd niet alleen hiervoor gegraven. Eerder, in 1926, was hier al klei uitgegraven voor de dijkversterking welke toen plaats vond. Zo ontstond dus deze kleiput. Tijdens die dijkverhoging was de bereikbaarheid, door de hoge waterstand in de uiterwaarden, van deze put slecht. Daarom kocht men een stuk land op de Nieuwstad van Gerrit Timmerman, de Wilsumer bakker, waar men verder ging met de winning van klei voor de dijk. Van vergunningen voor ontgronding of wijziging van bestemming had men toen nog niet gehoord. Dit is de huidige z.g. eendenkooi. Ook de eendenkooi aan de Eendenkooiweg is op deze manier en met dit doel ontstaan. Ook hier werd met behulp van zg. kipkarren en smalspoor klei uitgegraven en weggehaald voor de dijkverzwaring.

 

De hoogte van de dijk van voor 1926 is nog goed te zien op Harsenhorst. Daar waar het huidige fietspad begint ligt nu nog een stukje dijk richting IJssel. Dit is nog een deel van die toenmalige dijk. Het gedeelte, wat er toen opgezet is, is ook goed te zien bij de Dorpsweg 124 (fam. Stoffer) Hier staat de woning op de hoogte van de kruin van de toenmalige dijk. Ook bij de woning van Dorpsweg 112 (fam. Hekhuizen) is dit nog zichtbaar.

Een andere kolk is de zogenaamde Putkolk. Deze bevond zich tegenover de woningen van Dorpsweg 50a en 52, tussen het zomerdijkje de”kaodiek” tot halverwege de Veerweg. De kolk werd gebruikt voor klei winning voor een steenfabriek die zich aan de Zande bevond. De klei werd hier uitgegraven en met zogenaamde bokken over de IJssel naar de steenfabriek verscheept. Deze kolk is dichtgestort met huisvuil ui IJsselmuiden.

Een recent gegraven kleiput is die in de Koppelerwaard. Deze is gegraven ten behoeve van klei winning en zou ook bedoelt zijn als infiltratiegebied ten behoeve van de drinkwater winning. Van dit laatste heeft men echter later afgezien.

 

 

Uitwaarden in Wilsum

In stroomafwaartse richting vanaf de loswal bij Wilsum bevinden zich twee oude stroom- geulen van de IJssel. Deze zijn in het verleden, tussen 1890 en 1903, aan het begin, bij de IJssel aan de instroom zijde dicht gemaakt en afgesloten door de zomerdijk. In een van deze zijstromen bevonden zich enkele duikers welke voorzien waren van kleppen.Later zijn die weggehaald.

 

De eerste stroomgeul ontspringt uit de IJssel tussen de 3e en 4e krib. Hij slingert (of eigenlijk slingerde) zich een weg door het land, achter langs de zg. ”putten” tot bij de winterdijk bij de Nieuwstad. Helaas was dit stuk vrijwel geheel dichtgeslibd. De laatste tijd wordt het soms weer wat open gehouden als een sloot. Bij de dijk buigt de geul naar links en vervolgt zijn weg via een duiker in de dam, die toegang geeft tot de wat nu Kleine Welle genoemd wordt. Deze stroomgeul wordt de Hank genoemd.


Na deze dam vervolg(t)(de) de geul zijn loop verder langs het zogenoemde oude dijkje (waarschijnlijk werd/wordt deze zo genoemd omdat na de grote watersnood van 1825 de dijk verlegd werd en dit was voor een deel het oude tracé van de oorspronkelijke dijk), richting de toegang naar de Scherenwelle en Keulenzand. Ook dit deel is voor het grootste gedeelte dichtgegroeid. In de dam die toegang geeft naar de Scherenwelle en waarvan het eerste perceel van oudsher de ”schein’n” genoemd werd, bevind zich een duiker met een klep.
Aan de andere zijde van de dam liep vroeger de stroomgeul richting de zg. Uiterwijkse Hank. In latere tijd toen dit laatste deel dichtgegroeid was, is hier altijd nog een forse sloot aanwezig geweest welke, naar ik meen, door de gemeente open gehouden werd. De Hank bezit aan beide zijden drassigge oevers. Voor WOII werd de Hank nog bevist door beroepsvissers, met fuiken. Ook kwamen hier in begin 30
er jaren van de vorige eeuw nog otters voor. Overigens waren de vissers hier niet zo blij mee, want ze maakte de netten kapot.

 


Op een deel van de Welle en Keulenzand werd later ook een soort zomerdijkje gelegd. Wanneer dit gebeurde is niet helemaal duidelijk maar op kaarten van 1865 staat deze al getekend op het Keulenzand. Op enige afstand van de plek waar oorspronkelijk de Streng uit de IJssel ontsproot is later een dam in de Streng gelegd met daarop ook weer een zomerdijkje. Later is er in deze dam een klepduiker gemaakt. Eerder werd er al een sloot gegraven vanaf de IJssel tot aan de Hank waardoor het lagere deel van het Keulenzand beter ontwaterd kon worden. Het stuk grond wat hierdoor vrij van de rest van het Keulenzand kwam te liggen werd/wordt de Kleine-welle genoemd.
Wanneer de zg. wagenweg, dit is de weg vanaf de schein’n over het zg. schein,n perceel rechtsaf richting de dam, door de Streng, en daarvoor linksaf richting de Scherenwelle werd gelegd, is mij niet bekend. Op een kaart van 1840 is de dam al wel te zien maar deze komt op de kaart van 1865 niet meer voor.


Aan de andere zijde net tegenover de Streng bevond zich ook nog een stukje land tussen het riet. De zg. Ummekrage. Dit moest ook later toen er al grasmachines waren nog met de hand gemaaid en daarna uitgedragen worden. Op die plaatsen waar de gronden laag waren werden sloten en slootjes gegraven.
De Scherenwelle en Keulenzand werden, totdat de pachtwetten hun intrede deden, even na WOII, twee keer per jaar verhuurd aan de hoogste bieder. Later werd dit in vaste pacht aan de boeren van Wilsum uitgegeven

Een heel ander deel van de uiterwaarden, namelijk het deel tussen Hank en de winterdijk, dit wordt ook de Olde-kolk genoemd, is een zeer drassig deel.


In DUW verband (Dienst Uitvoering Werken) werden hier in de crisis jaren van de vorige eeuw als werk verschaffings project, slootjes gegraven waardoor de gronden wat opgehoogd werden. De gronden maakten deel uit van de gemeenschappelijke dijkweide en werden begraasd door koeien. Op deze gronden groeide slecht gras en veel zogenoemd luus. Dit laatste lusten de koeien niet en werd bij opbod verkocht voor strooisel. Het werd met de hand gemaaid en werd op stokken naar de dijk gedragen. De sloten waren prachtig begroeid met waterplanten Waaronder veel krabbescheer waarop sterns broeden.

 

 

De grote brand op 15 april 1911

In 1911, op 25 april, branden in de kern van Wilsum 13 woningen af welke bewoond werden door 15 gezinnen. De brand, welke ontstond in een hooiberg, werd waarschijnlijk aangestoken door enkele kinderen.
Een verslag van deze brand stond in de Kamper Courant van 16 april 1911. Enkele dagen later op 20 april stond er nog weer een artikel in deze krant over de brand en werd er tevens een advertentie geplaatst met een oproep om de nood te lenigen. In de krant van 30 april en die van 11 mei 1911 deed de Penningmeester van de inzamelings commissie, Ds. J. P. v. Leusden, verslag van de ingekomen giften.

 

 

 

Artikel uit de Kamper Courant van 16 april 1911 over de grote brand in Wilsum.

 

"Ons aardig aan de IJseloever gelegen buurplaatsje, waarvan de meerendeels lage, stroogedekte boerenwoningen zich om het antieke torenkerkje schikken als de kiekens om de kloek, het landelijke Wilsum is gistermiddag getroffen door een ernstige ramp. Een plotseling in een hooiberg uitgebroken brand heeft in minder dan tijd zulk een omvang aangenomen, dat binnen enkele uren van dertien woningen slechts smeulende puinhopen waren overgebleven en verscheidene Wilsummers (15 gezinnen) bij anderen tijdelijk onderkomen hebben moeten zoeken. De omstandigheid dat op een enkele na de aangetaste huizen alle gedekt waren met riet, dat na dagen van sterken oosten wind kurkdroog was, heeft met het altijd weer gevaarlijk der tusschen gelegen vlammende hooibergen, er het meest toe bijgedragen om den brand in korten tijd zulk een geweldige omvang te verschaffen, terwijl de vrij felle wind en gebrekkig bluschmateriaal de wanhopige pogingen der dorpelingen onder aanvoering van de voortvarenden gemeente-veldwachter, wiens tegenwoordigheid van geest hem in deze kritieke momenten geen ogenblik begaf, totaal deden schipbreuk lijden. Tot uren in den omtrek waren de hooge, telkens weder oplaaiende vlammen zichtbaar en de rosgekleurde dichte rookgolven, die heel de omgeving hulden in een onheilspellende waas, strekten aan de verre toeschouwers ook in onze stad, ten somber teeken van de hevigheid der vlammen, welke ginds woedden.


Een droevig gezicht leverde hedenochtend de kom van het zwaar geteisterde dorp. Links van den weg, te beginnen van schuin tegenover het gemeentehuis ( met annex woning van den gemeenteveldwachter) tot aan de school, lag alles in ten deele nog rokend en smeulend puin, terwijl de spuitgasten van Wilsum en IJselmuiden nog ijverig in de weer waren de verradelijke hooibergen om te werken en nat te houden. Hier en daar stonden groepjes menschen zwijgend bijeen en staarden verslagen naar wat er restte van hun woonstede, of scharrelden tussen de ruïne op zoek naar wat op die plek nog kort te voren zijn plaats gevonden had. In het gemeentehuis vonden we den veldwachter Westenberg, geasisteerd door zijn IJselmuider collega De Vries ijverig bezig de uitgeputte en hongerige
brandweermannen van een stevige boterham te voorzien, terwijl het er onophoudelijk af en aan liep van menschen, die raad en hulp kwamen vragen. Stille getuige van al deze bereddering, kregen we respect voor het kalme, energieke optreden van dezen eenvoudigen politieman, die hier het gezag en gemeentebestuur op zoo flinke wijze vertegenwoordigde, zich zonder pressie wist te doen gehoorzamen en zo nodig – we waren er later even getuige van – met besliste strengheid alles wist te beletten wat ongeoorloofd was. Zonder spoor van vermoeidheid na dezen nacht van spanning en rusteloos zwoegen, was hij aanstonds bereid ons rond te leiden langs en door het toneel van troosteloze verwoesting. De brand was aangekomen in een hooiberg achter de boerderij (recht tegenover het gemeentehuis), bewoond door Hendrik de Groot Azn.

 

Aangaande de oorzaak valt met zekerheid niets te zeggen. Wel zijn er in die buurt kort tevoren een paar kindertjes waargenomen, peuters van een jaar drie, vier, en bestaat er in verband daarmee een vaag vermoeden, maar bepaalde aanwijzing dienaangaande ontbreekt.
Als een bewijs, hoe snel het vuur om zich heen gegrepen heeft, diene, dat Westenberg, vlak in de buurt aan de IJsel bij het veer werkzaam, bij zijn komst ter plaatse reeds niet alleen de plaats van De Groot, maar ook de links daarvan staande woning van Willem Jan de Ruiter en nog verder naar links die bewoond door Remmelt de Vries, bij wien de weduwe Schipper inwoonde, eigendom van de Diaconie, in lichte laaie vond staan, terwijl een minuut later ook de rechts aangrenzende flinke boerenplaats, eigendom van den heer Jules van Hasselt, pachteres de weduwe Post, (nog niet lang geleden gedeeltelijk vernieuwd; hierbij behoorde -als schuur – het voormalige Wilsummer gemeentehuis) in brand vloog. Het mag nog gelukkig geacht worden, dat de windrichting gunstig was voor het gemeentehuis en bovenal voor Wilsum’s trots het antieke pas gerestaureerde kerkje en de pastorie. Zelfs met degelijke, moderne bluschmiddelen zou tegen een zo boosaardige vuurmassa niet veel zijn uit te richten, geen wonder dat men met een nietig, geheel verouderd en slecht werkend spuitje (waar met emmers het water ingedragen moest worden) vrijwel machteloos stond en zich bepalen moest tot energemate beschermen van wat nog niet door het vuur benadert was.
Later toen de flinke spuit van IJselmuiden ter hulp gekomen was, - de ergste verwoestingen waren toen echter al voltooid – kon men iets meer tegen het vuur uitrichten en zijn voortgang stuiten.


Inmiddels had de brand, zijn noodlottigen loop vervolgd, na het huis van wed. Post ook de bijbehorende berg aangetast, om vandaar over te springen op de woning bewoond door Dries Held, eigendom van de heer Van Hasselt te Grafhorst, en verder op die van Reindert de Groot, al welke tot nu genoemde woningen langs den grooten weg liggen. Even voorbij het huis van De Groot en slechts er van gescheiden door een niet breeden zijweg ligt het hoge, flinke schoolgebouw. Dit is gelukkig gespaard kunnen blijven, maar de felgeblakerde kroonlijst, zwartgerookte muur en verkoolde dakgoot bewijzen hoeveel moeite de op het dak zittende spuitgasten gehad hebben, den vlammen daar dezen prooi te betwisten. In die richting dus gestuit, sloeg het vuur lang evengenoemden zijweg achterwaarts, over den berg van Held naar het huis van Tymen Evink, en verder reikende drie aaneengebouwde woninkjes van de Diaconie aan te tasten, bewoond door drie weduwen Fiks, Van Keulen en Timmerman, en steeds voortwoekerend (maar wel opmerking waardig! Sparende een vlak naaststaand met pannen gedekt huis) vervolgens de aan elkaar grenzende plaatsen van de wed. Hulsbergen (eig. en bew.) en die bewoond door Andr. Meuleman (eigenaar Harm de Velde) in de asch te leggen. Toen overslaande naar de overzijde van bedoelden binnenweg moesten de woning van Roelf Spijkerboer (eig. bew.) en de schuur van Gerrit Timmerman er nog aan geloven (een naastliggende hoeve dankte haar wonderbare redding, naast krachtdadige inspanning van Westenberg e.a., die het dak onophoudelijk begoten, aan de omstandigheid, dat de rietkap bijna geheel door een laag mos bedekt is). Uit de hier gegeven opsomming blijkt voldoende van welken omvang de ramp is welke dit nederige dorpje binnen niet meer dan twee uur tijd getroffen heeft, ook al zijn geen persoonlijke ongelukken te betreuren.
Wel zijn de meeste der verbrande huizen en boedels verzekerd, maar het gaat hier ook weer als zo dikwijls: degenen, die niet (een vijftal) of heel laag verzekerd zijn, behoren tot de armsten. En ongetwijfeld zouden dezen er hard aan toe zijn, wanneer er geen warme harten en milden handen zich hun lot straks zouden aantrekken. Voorlopig vinden de daklozen bij vriend en buur (o.a. eenigen in de pastorie) een tijdelijk onderkomen."

 

 

 

Artikel uit de Kamper Courant van 20 april 1911 over de grote brand in Wilsum.

 

 

"Het blijkt thans dat de afgebrande woningen te Wilsum verzekerd waren bij verschillende maatschappijen voor een bedrag van ƒ 15.600, terwijl de verzekeringssom der roerende goederen, waaronder vee en hooi, beliep ƒ 17.250. Het vee is echter gered terwijl er niet zoveel hooi voorradig was als in de zomer of in het begin van de winter.
Niet verzekerd zijn de drie huisjes van de Hervormde Diaconie, benevens de inboedeltjes van de vier in deze huisjes en in een wel verzekerd huisje van de Diaconie wonende bejaarde weduwen en de inboedel van een arbeider. Er heeft zich een commissie gevormd, (zie onder advertenties) die zal trachten gelden in te zamelen ten einde deze menschen, die van alles beroofd zijn te helpen.
De ruïne van de brand, die een grote oppervlakte beslaat, is gedurende de Paaschdagen door zeer velen bezocht; door middel van een in de nabijheid geplaatste bus, werd ongeveer ƒ 150 ingezameld.
Het vee is in de weide gedaan, terwijl voor de bewoners der huizen, die voorlopig een onderdak hebben gevonden, bij buren en kennissen, spoedig tijdelijke woonketen zullen gebouwd worden. Volgens ooggetuigen is het niet te begrijpen hoe snel de vlammen om zich heengrepen, wat voornamelijk moet worden toegeschreven aan de rietbedekking van huizen, schuren en hooibergen, de langdurige droogte en krachtigen wind."

 

Even voorbij de bebouwing van Uiterwijk bevindt zich nog een kolk. Deze is in de loop van de tijd gedeeltelijk dichtgemaakt.

 

Een kolkje waar niets meer van te zien is bevond zich links naast de Veerweg net voor waar deze, gezien vanuit het dorp, een bocht naar rechts maakt. Dit kolkje is dichtgemaakt in DUW verband (dit was de zogenaamde werkverschaffing) in de dertiger jaren van de vorige eeuw. De klei die hiervoor gebruikt werd, werd gehaald uit de zogenaamde Putten tegenover de woningen Dorsweg 2 en 4. De latere ijsbaan.

De kerk is gewijd aan Sint Lambertus. Hij was bisschop van Maastricht. Het is nog steeds een historisch raadsel waarom de kerk naar deze in de IJsseldelta onbekende heilige werd genoemd. In 1170 werd de kerk tot parochiekerk verheven. In een brief van de landsheer Otto I (bisschop van Utrecht) wordt voor het eerst Wilsum als kerspel genoemd. Een kerspel was oorspronkelijk bedoeld voor de kerkelijke organisatie van een parochie, maar kreeg allengs steeds meer het karakter van een burgerlijke gemeente.

Na de Franse tijd werd Wilsum -waartoe ook de buurtschappen Harsenhorst, het Onderdijks, Nieuwstad, en Uiterwijk behoorden-, een gewone Nederlandse gemeente. Het raadhuis bevond zich naast de kerk (nu Dorpsweg 11). Tot 1 januari 1937 bleef Wilsum zelfstandig, daarna werd het bij de gemeente IJsselmuiden gevoegd. Sinds 2001 maakt Wilsum deel uit van de gemeente Kampen.

De uiterwaarden bij Wilsum vormen een uniek natuurgebied met rietzomen, hooilanden, oude rivierlopen, bloemrijke graslanden en een grote vogelrijkdom. Voor de wandelaars is er het Laarzenpad dat door de Koppelerwaard en de Scherenwelle loopt.

Het aantal inwoners in 2005 is ongeveer 900.

De tweede stroomgeul de zg. Streng (of Strenk) die even verder stroomafwaarts aan de IJssel ontspringt is breder dan de Hank en bezit aan de oostzijde een vrij hoge oever. Dit zelfde zie je ook langs de IJssel. Ik denk dat dit ontstaan is door zandafzettingen bij overstromingen.
Deze geul had van oorsprong een vrije doorstroom richting de Uiterwijkse Hank. Later is deze geul door de komst van de zomerdijk langs de IJssel en een dam, even voordat de geul uitstroomde in de Hank bij Uiterwijk, van een stromende geul een stilstaande geworden.
In deze dam heeft van oudsher al en klepduiker gezeten, ter hoogte van waar nu het gemaaltje staat. Het land wat tussen de IJssel en de Streng is gelegen wordt Scherenwelle, en het land tussen Streng en Hank werd Keulenzand genoemd.