

© HISTORISCHE VERENIGING VOOR DE IJSSELDELTA -

Het Kampereiland
Het Kampereiland is een plattelandsgebied met de kleinste kern van de gemeente Kampen. De eigenlijke kern bestaat uit een veertiental burgerwoningen, de Hervormde kerk, de christelijke basisschool 'Joh. van de Wende', het ontmoetingscentrum 'Ons erf' en een drietal dichtbij gelegen boerderijen.

In 1951 bedroeg de oppervlakte landerijen ongeveer 5.300 ha en van de riet-
Uniek in Nederland is dat in de oorspronkelijke
gemeente Kampen (dus vóór de fusie met IJsselmuiden) ongeveer 90% van het buitengebied
eigendom is van de gemeente. Alleen aan de westkant van de stad in de buurt van de
Zwartendijk komt particulier eigendom voor.

Mede door het opruimen van het veen was de verbinding van de IJssel met de zee steeds
beter geworden en daardoor werd de afvoer van het IJsselwater versneld. In die tijd
lag de monding van de IJssel ter hoogte van Kampen. Door die snellere afvoer werd
bovenstrooms veel zand en klei losgewoeld. In het mondingsgebied nam de stroomsnelheid
zo sterk af dat veel materiaal kon bezinken. Zo ontstond de IJsseldelta.
In de ondergrond
van het Kampereiland komt een dik pakket kalkhoudende, matig fijne zandgrond voor,
dat zich ook uitstrekt tot buiten het eiland tot in de Noordoostpolder en Oostelijk
Flevoland en dat Ramspolzand wordt genoemd. Dit zand werd later overdekt door rivier
-
Intussen was Kampen één der belangrijkste handelssteden langs de Zuiderzee geworden.
Ten zuiden van de stad lagen klei -
Tussen Zwolle, Kampen, Genemuiden en Hasselt ligt de polder Mastenbroek. In die tijd bestond die uit "woeste gronden": broekbos met stukken grond die extensief in cultuur waren gebracht. In 1364 besloot de toenmalige bisschop Jan van Arkel het gebied in te polderen en te verdelen onder de aangrenzende plaatsen. Kampen was ook deelgerechtigd, maar zag van haar aandeel af en kreeg als compensatie de "Kampereilanden met recht van aanwas". Daarnaast was dit ook een beloning voor de hulp die Kampen aan de bisschop geboden had bij de verovering van de stins van de heer Zweder van Voorst in Westenholte bij Zwolle. Deze "roofridder" trok zich niets aan van het gezag van de bisschop.
Kampen verwierf 30 hoeven. Volgens de meeste bronnen was dit ongeveer 540 hectare. Deze oppervlakte was wel verspreid over een aantal kleine eilandjes, die minstens 15 cm boven de gemiddelde waterstand lagen. Deze eilandjes werden allemaal met name genoemd. De meeste kunnen ook nu nog in het gebied worden aangewezen. Niet meer als afzonderlijke eilandjes, maar wel omdat de namen in het gebied nog voortleven, overigens in beperkte mate.
Enkele oude namen van delen van het eiland of afzonderlijke erven op het Binneneiland:
Ganzepol, Modderkuil, Brink, Heupe, Warder, Hoge en Lage Esch, Seveningen, Nijland,
Heultjes, Snaterijs, Stuurhoop, Stikken, Riethoop, Pijperstaart, Raas, Ruidenhoop
en Kattewaard. Op de linker IJsseloever: Vossewaard, Meester Hendrikswaard, Zandjes,
Zuiderwaard, Melm, Haatland, Kruishoop, Knollenberg, Koitenberg, Karenhoop, Spijker,
Tanneke Blox Erf, Slickertoomsrugge, Sint Nicolaasbos, Buitendijks, Kardoezen.

Het land zal in de zomermaanden zijn gebruikt voor het weiden van vee. Geleidelijk
groeiden de eilandjes door opslibbing verder aan. De IJssel en haar verschillende
mondingen zocht tussen de eilandjes door een weg naar zee.
Toen Kampen de landerijen ten geschenke kreeg begon het stadsbestuur al snel de groei
van de eilanden te bevorderen door het te "besticken": het plaatsen van rijshout
(stekken van els en wilg) en het laten aangroeien van riet -
De eerste aanwijzing voor permanente bewoning vinden we in de beschrijving van de
zeer strenge winter van 1502 -
Drs. J. Grooten
heeft in 1998 een boek gepubliceerd met naamlijsten van de pachters in de verschillende
pachtperioden. Daaruit blijkt dat de eerste acht erven omstreeks 1432 voor het eerst
zijn verpacht. Ze liggen allemaal op oeverwallen langs de verschillende rivierlopen.
In 1444 volgt een nieuwe reeks van zeven erven op de Heultjes en Snaterys (achter
de kerk en de school). Vervolgens worden zeer regelmatig nieuwe erven in pacht uitgegeven.
Zo waren er in 1594 veertig erven, in 1794 zeventig en in 1850 drieentachtig. Meestal
waren het erven op nieuw aangeslibde gronden die tijdelijk aan zittende pachters
in gebruik waren gegeven tot het in de ogen van de magistraat voldoende gerijpte
gronden waren om als afzonderlijk erf te worden uitgegeven.
Aan de westkant van de IJssel waren al vroeg dijken aangelegd zoals de Zwartendijk
in 1302.
Aan de rechterzijde lezen we pas voor de eerste keer over aanleg van dijken
in 1603. Het gaat dan over een dijk van Seveningen tot aan de Garste en van de Stuurhoopsdijk
tot aan het nieuwe erf van de Welle. De Stuurhoopsdijk was er dus al wel vóór die
tijd. Op kaarten van ± 1791 van Le Fèvre de Montigny kunnen we zien dat er toen een
groot aantal dijkjes voorkwamen op het eiland. Telkens als er een nieuwe aanwas in
gebruik werd genomen legde men er een dijkje omheen. Vaak, maar niet altijd, groef
men de overtollige dijkjes af om de grond opnieuw te gebruiken. Hoog waren die dijken
niet. Vóór 1800 in de meeste gevallen maar ongeveer 1.30 m + N.A.P. Later werden
de dijken na stormschade wel verder opgehoogd, zoals in 1836 tot 1.75 m + N.A.P.
Na 1862 werden de dijken verhoogd tot 2.10 m + N.A.P.. maar door inklink zijn ze
dit niet meer. Dat was de tijd van de grote omdijkingen rondom het Binneneiland.
Toen zijn veel overtollige dijkjes weg gegraven.
Eeuwenlang moesten de eilanders gebruik maken van veren als zij van het eiland af wilden. Tot 1940 en later waren er de pontveren over het Rechterdiep en over het Ganzediep bij Seveningen en bij Grafhorst en over de Goot bij de Mandjeswaard. Verder had je het voetveer over de IJssel bij Kampen (stadsdeel Brunnepe) en nog drie andere voetveren die verplicht bediend moesten worden door er bij wonende pachters van stadserven.

Rond 1940 werd het isolement van het Binneneiland en de Kattewaard opgeheven door
de aanleg van de dam door het Ganzediep, de aanleg van de Frieseweg en in 1952 de
bouw van de Ramspolbrug. Op 21 januari 2003 werd de Eilandbrug over de IJssel geopend.
Deze brug verbindt het gedeelte van de N50 op de linker IJsseloever (het Haatland)
met die op de rechter IJsseloever (het Raas).
Het laatste veer dat werd opgeheven
was het veer over de Goot van de Mandjeswaard naar de Kamperzeedijk in 1958, nadat
daar een brug was gelegd. Sinds 2004 is er wel weer een recreatiepontje over het
Ganzediep tussen de Mandjeswaard en het Binneneiland. Dit "Kleemanspontje", genoemd
naar een vroegere burgemeester, is een zelfbedieningspontje. Veel recreatieve fietsers
maken in de zomermaanden gebruik van dit veer.
Bij een noordwesten wind en stormweer waren de dijken lang niet hoog genoeg om het
water te keren. Vandaar de aanleg van de belten. Na de dijkverhogingen van 1862 overstroomden
de dijken eens in de twee à drie jaar, maar daarvoor veel vaker. Overigens was het
niet zo dat wanneer de dijken enige tijd overliepen het hele eiland altijd helemaal
blank kwam te staan. Dat hing af van de duur en de hoogte van de overstort over de
dijken.
Er was wel een overstromingswaarschuwing. Zo stonden er op het Binneneiland
bij drie erven hoge seinpalen. De bewoners van die erven waren verplicht bij het
begin van overstort van de dijk bij dag een grote mand in de paal te hijsen en bij
nacht een stormlantaarn. De eilanders konden dan hun maatregelen nemen. Iedere boer
had een schuit aan de belt liggen. Deze werd gebruikt voor afvoer van melk, het doen
van noodzakelijke boodschappen en natuurlijk diende de boot ook als laatste redmiddel
bij een echte ramp. Meestal duurde het 1 à 2 weken eer het water door natuurlijke
afvloeiing zover was gezakt dat de wegen weer enigszins begaanbaar waren.

Vroeger vonden de openbare verpachtingen van de erven om de 10 jaar plaats. De ingangsdatum van de nieuwe pacht was meestal 22 februari (Sint Peter). Vroeger vond dit bij opbod plaats in de Kamper Bovenkerk. Soms waren daarbij 1.400 mensen bij aanwezig. Meerdere keren werd te hoog ingepacht als later bleek dat er in economisch opzicht een slechte tijd volgde en moest de pacht noodgedwongen tussentijds worden beëindigd.
In 1880 werden de 83 bestaande erven verkleind van 45 naar 35 ha. en werden er daardoor 17 nieuwe erven tussengevoegd. Het doel was om de bedrijven te dwingen tot intensivering.

In de periode 1930 tot 1952 was het aantal erven door kleine inpolderingen o.a. van
het Rechterdiep en Rechterveld al uitgebreid naar 117. Tijdens de ruilverkaveling
kwamen er ongeveer 56 bij, met een oppervlakte van 15 tot 20 ha. Vanaf de jaren 70
is er door economische noodzaak van schaalvergroting een geleidelijke vergroting
van de erven tot stand gekomen doordat vrijkomende erven vaak werden opgedeeld. De
gebouwen worden dan aan de agrarische bestemming onttrokken en verkocht aan particulieren.
Het aantal erven is inmiddels gedaald tot ongeveer 120. Zoals het zich laat aanzien
zal deze schaalvergroting voorlopig aanhouden en het aantal erven dus dalen.
Het Kampereilander landschap is een zeer open landschap. Bomen worden vooral aangetroffen bij de boerderijen. De nog talrijke belten geven het landschap een geheel eigen karakter.
De loop van de wegen volgt op meerdere plaatsen nog de ligging van oude afgegraven
dijken. Echte kenners van het gebied kunnen ook nog de oude waterlopen uit voorbije
eeuwen die al lang zijn dichtgeslibd of ingepolderd in het landschap aanwijzen. De
meeste bekoring van de natuur is te vinden in het voorjaar wanneer de weidevogels
hun eieren leggen en nog veel voorjaarsbloemen zijn te bewonderen. In de herfst en
wintermaanden foerageren tienduizenden ganzen op het eiland.
Aan de noordkant van
het eiland vinden we het beschermde natuurgebied het Zwartemeer. Een gebied van riet
en biesvelden die ook veel vogels en een aantal reeën herbergt.
Cultuurhistorische monumenten komen op het eiland bijna niet voor. Of het moeten de talrijke belten zijn.

De Hervormde kerk werd gesticht omstreeks 1669. Het is niet helemaal duidelijk wanneer
de kerk in de huidige vorm is gebouwd. Waarschijnlijk vonden er eerst aanpassingen
plaats in de toen al bestaande eenvoudige school. Vrij kort er op, mogelijk in 1680
zal de kerk zijn gebouwd door de stad Kampen. Het is een eenvoudige, maar wel functionele
kerk.
Enige tijd had het eiland twee openbare scholen. De ene stond naast de kerk en werd
in 1923 een protestants christelijke school. In 1880 werd er een school bijgebouwd
aan de oever van het Ganzediep voor de kinderen van de oostkant van het Binneneiland
en de Mandjeswaard. Door een gebrek aan leerlingen werd de school weer gesloten op
1 april 1956.
In 1988 werd het ontmoetingscentrum "Ons Erf" gebouwd. Dit heeft zich ontwikkeld
tot het ontmoetingscentrum voor de eilanders en voorziet in een duidelijke behoefte
op het gebied van het verenigingsleven en de zaalsport.
Tussen dit gedeelte van de
Heultjesweg en de Frieseweg vinden we de ijsbaan "Wintervreugd".
Bij ijswinters een
ideale baan vooral voor de schooljeugd.
Aan het Ganzediep tegenover IJsselmuiden is
een insteekhaven voor de watersport gegraven en bevind zich ook de camping "Seveningen".
Uit de plannen die door de overheid gepresenteerd worden is op te maken dat het landschap zoals dit nu aan de rechterzijde van de IJssel ligt niet teveel zal aangetast worden, terwijl aan de linkerzijde van de IJssel industrie en havenaanleg ruim baan wordt gegeven.
Foto's: Fototheek Stichting Kampereiland.
Het grootste deel van het buitengebied van de vroegere gemeente Kampen (voor de fusie met de gemeente IJsselmuiden) hoort bij het Kampereiland. Meestal wordt het gedeelte van het grondgebied dat begrensd wordt door de IJssel, het Ganzediep en het Zwartemeer het Kampereiland genoemd. In engere zin is dit echter het Binneneiand. Daarnaast is nog de Mandjeswaard, dat begrensd wordt door het Ganzediep, de Goot en het Zwartemeer.
Ook een belangrijk gedeelte van het Kamper grondgebied op de linker IJsseloever (Haatland,
Melm en Buitendijks) hoort vanouds bij het Kampereiland. Het gebied was vroeger geheel
agrarisch en dat geldt nu nog voor het Binneneiland en de Mandjeswaard.
Vanaf de Kattewaard moest je zelfs twee pontveren over eer je in Kampen was. Nog vroeger bezochten ook de kinderen van de Vossewaard op de linker IJsseloever (bij het Keteldiep) de school op het Kampereiland bij de kerk. In een verslag van schoolopziener Mr. J. van Ingen uit 1839 wordt gemeld dat de kinderen van de Vossewaard driemaal moesten overvaren voor ze op school waren: eerst over het (toen nog erg smalle) Keteldiep dan waren ze op de Kattewaard. Vervolgens over het veel bredere en gevaarlijker Rechterdiep; dan liepen ze op het Raas. En tenslotte over het Noorddiep (er was toen nog geen brug over dat water) en dan waren ze op het gedeelte van het Binneneiland dat de Heultjes heette en waarop de school stond. Het kostte ongeveer een uur voor ze op school waren!
Een enkele maal kwam het voor dat het water zo hoog steeg dat het in de boerderij
kwam.
In het algemeen viel het aantal slachtoffers mee, maar de materiele schade kon
erg groot zijn.
Zo verdronken er op het eiland bij de storm van 14 en 15 november
1775 ruim 250 stuks rundvee en was er verder grote schade aan gebouwen en inventaris.
Nog veel ernstiger gevolgen had de ramp van 4 en 5 februari 1825. Toen verdronk er
op de Kattewaard een heel gezin. Alleen de knecht werd gered. Van de 3337 runderen
die in de gemeente Kampen aanwezig waren verdronken er 2314. Veel boerderijen spoelden
helemaal weg en overigens was de schade enorm. Na de aanleg van de Afsluitdijk in
1932 was de overstromingskans geminimaliseerd.
De aanleg van de balgstuw bij Ramspol
en dijkverhogingen langs de IJssel heeft de overstromingskans verder verkleind. Toch
wordt het eiland door Rijkswaterstaat nog altijd als boezemgebied beschouwd met een
overstromingskans van 1 op 500. Ter vergelijking: langs de grote rivieren is die
1 op 2.000; de IJsselmeerpolders 1 op 4.000 en centraal Holland 1 op 10.000.
Tot die tijd was de hooiwinning en verkoop een belangrijke bron van inkomsten voor
de pachters. De gemeente vond dat dit tot verschraling van de grond leidde en wilde
de melkproductie aanmoedigen. Dit gelukte maar ten dele. Tot ongeveer 1970 bleef
op veel bedrijven de hooiproductie nog een belangrijke factor. Het Kampereilander
hooi had een uitstekende naam. Bij het basisonderwijs werd bij aardrijkskundelessen
het Kampereilander hooi zelfs genoemd bij de bekendste onderwerpen van de provincie
Overijssel!
De openbare verpachtingen werden in 1898 afgeschaft en vervangen door
een pachtprijs die bij taxatie werd vastgesteld.
Echte intensivering vond eerst plaats na de ruilverkaveling van 1956 tot 1963. De in Kampen wonende koeboeren werden toen overgeplaatst naar het buitengebied door de bestaande erven te verkleinen naar 30 ha en de uitgifte van de stadsweiden in erven.
Vanwege de Rijksuniversiteit Utrecht hebben op enkele belten opgravingen plaats
gevonden. Daarbij bleek dat de oudere erven soms twee of drie bewoningslagen te hebben.
Na een zware overstroming of bij nieuwbouw werd de bestaande belt vaak verhoogd om
meer bescherming te hebben.
Erfnummer 29 aan de Heultjesweg wordt verbouwd en ingericht
als museumboerderij. Deze zal een beeld geven hoe vroeger op het eiland werd gewoond
en gewerkt. De opening zal in de zomer van 2006 plaats vinden.
Deze bijzonderheid heeft alles te maken met de ontstaansgeschiedenis van het gebied.
In
het begin van onze jaartelling was de IJssel een regenrivier die door een veengebied
stroomde, dat bedekt was met zwaar loofbos. Op de plaats van de latere Zuiderzee
lag toen het Flevomeer, een verzameling grotere en kleinere meren, gescheiden door
veengebieden. Later ontstond, tot ongeveer het jaar 1000, onder invloed van stormvloeden
en oeverafslag één groot meer, het Almere, beschermd door een landbrug tussen Friesland
en Noord-
In de vroege Middeleeuwen werd vooral onder invloed van de stijging
van de zeespiegel de invloed van de zee steeds groter en werden grote stukken van
de veengebieden weggeslagen, zodat in de twaalfde eeuw de landbrug grotendeels was
opgeruimd en het Almere de het karakter van een binnenzee kreeg. De naam Suderzee
kwam in gebruik.